Elk kwartaal schrijf ik voor het Tijdschrift Geestelijke Verzorging (TGV) een nieuw – uit het leven gegrepen – gedicht. Ik vergeet ze vaak hier te publiceren. Dit is het gedicht van september.

Wij herinneren ons
U reed tot uw pensioen op een oude brommer
– ‘me brommert’ – door het bos, langs het water
en de berg, waar later uw man dood gevonden werd,
naar de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek
voor jaren dienstbaar werk.
U was enig kind tot uw twaalfde en wat haatte u haar komst.
‘Maar wat weet je als kind?’, zegt u nu. Als ik voorzichtig vraag
zwijgt u, wrijvend over de placemat met herfsttaferelen.
Uw schoonouders woonden aan een kaal plantsoen
vijf huizen van mijn grootouders vandaan, blijkt,
in een rijtje met lappen voor de ramen, onkruid
in de voortuin, kinderen in ongewassen kleren.
Ik herinner me,
niemand zat naast die ene in de bank,
hij wist nooit iets
bij een beurt
trokken anderen hun neus op.
‘Ja, wat weet je – als kind’, zeg ik en u wacht, vertelt
dan weer: met de brommert langs de berg,
waar uw man dood werd gevonden.