‘Het beste dat we te bieden hebben is tijd’, een interview

Naar aanleiding van de Internationale Dag van de Palliatieve Zorg hield Saskia Markx een kort interview met mij voor de website van het Humanistisch verbond. Zie ook het persbericht van 10 oktober. Het interview staat hieronder:

‘Het beste dat we te bieden hebben is tijd’
14 oktober 2014

Zaterdag 11 oktober was de Internationale Dag van de Palliatieve Zorg. “Het is hard nodig om aandacht te vragen voor niet-medische en existentiële vragen in de laatste levensfase”, vindt Ineke de Vries, directeur van het Humanistisch Verbond. “Dat bepaalt de kwaliteit van ‘de palliatieve fase”, voor degene die gaat sterven maar ook voor hun naasten en verzorgers.

Door Saskia Markx

Nergens spelen levensvragen zo sterk als bij de dood. Humanistische geestelijk begeleiders zijn hier speciaal voor opgeleid. Het Humanistisch Verbond vindt het belangrijk bij de palliatieve fase stil te staan. Deze fase duurt langer en vindt vaker in de thuisomgeving plaats en dat vergt iets anders van de patiënt, de mantelzorgers en de medische en geestelijke zorg.

Gelukkig zijn humanistisch geestelijk begeleiders speciaal opgeleid om alle betrokkenen hierbij te ondersteunen. Ze doen dat in zorginstellingen en hospices en ook steeds meer ambulant zoals via de ‘Centra voor Levensvragen’ voor het groeiend aantal mensen dat thuis blijft om te sterven. Eric de Rooij is humanistisch geestelijk begeleider in een Amsterdams verpleeghuis en nam het initiatief voor het Centrum voor Levensvragen Diemen-Amsterdam. Wij leggen hem vier vragen voor.

Wat is de palliatieve fase eigenlijk?

“De palliatieve fase begint als iemand ‘de slechte boodschap’ heeft gekregen: dat hij of zij een levensbedreigende ziekte heeft en dat er aan het leven een einde gaat komen.”

Welke levensvragen stellen de mensen die gaan sterven en hun naasten vooral?

“Dat varieert van vragen rondom ziek zijn (bijvoorbeeld: waarom overkomt mij dit, waarom nu) tot vragen rondom de zin van het eigen leven. Mensen zoeken naar de betekenis van het leven dat geleefd is en naar de betekenis van het leven nu, met deze dodelijke ziekte. Ze maken de balans op. Ook gaan veel gesprekken over de dood, de angst om dood te gaan. Loslaten en goed afscheid nemen zijn belangrijke thema’s. Veel vragen hebben een religieuze of spirituele onderlaag. Ineens kunnen oude geloofskwesties weer opspelen. De dood is ongrijpbaar, mensen hebben er behoefte aan daar religieuze of seculiere woorden aan te geven. Bij al deze vragen is een geestelijk verzorger een uitstekend gesprekspartner, geschoold in aandachtig luisteren.”

Wat doen jullie daar dan precies mee?

“Het Centrum voor Levensvragen ondersteunt mensen in de thuissituatie die in de laatste fase van hun leven terecht zijn gekomen en levensvragen hebben. Ook mantelzorgers kunnen een beroep op ons doen. In gesprekken ondersteunen wij mensen bij wie het leven kwetsbaar is geworden, bij wie iets daadwerkelijks op het spel staat. Hoe om te gaan met de onvermijdelijke eindigheid? Het klinkt misschien gek, maar het beste dat wij te bieden hebben is tijd en aandacht. Zo’n sterfbed is een ntensieve tijd en deze laatste fase willen mensen zo goed mogelijk doen. Wij ondersteunen dat met gesprekken en rituelen.”

Zie jij verschillen in de ondersteuning in verpleeghuizen en bij mensen thuis?

“Er zijn verschillen, maar ook overeenkomsten. Wat beide delen: er is altijd sprake van crisis. Mensen weten dat ze gaan sterven en dat brengt een enorme spanning met zich mee. In het verpleeghuis waar ik werk gaan de gesprekken niet altijd over de dood, maar ook over het leven hier en nu, over het ongemak van ziek zijn en de worsteling met dingen die niet op te lossen zijn. Mensen die in een verpleeghuis komen hebben hun dromen meestal al flink bijgesteld, dat geldt voor mensen in de thuissituatie veelal een stuk minder. Uiteindelijk blijkt dat gehoord worden in je onmacht helend werkt, dat verwondert mij telkens weer.”

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.