Bij de ingang van het restaurant hing een krantenartikel met een foto van prinses Beatrix. Het bewijs dat zij – geheel onverwachts – hier ook een hapje was komen eten. Zat ze aan hetzelfde tafeltje als wij vieren nu, met voor haar een klein schaaltje kroepoek om het wachten op haar bestelling te overbruggen? Sloeg door een scheut cognac de vlam in haar teppan-gerecht, zoals dat even later voor mij gebeurde? Het zou wel aardig zijn geweest als zij hier weer zou zitten, aan een belendend tafeltje. Een vaste gast op zondag.
Ik weet niet meer hoe we erop kwamen, maar we spraken over onze helden, veelal literaire helden. De meesten waren dood, vergeten of op vergevorderde leeftijd. ‘Achteraf is het zonde dat ik nooit Gerard Reve heb opgezocht,’ zei J. bij het weglepelen van zijn kippensoep. Waarop ik de vraag stelde wie je in je leven graag een keer of nog een keer zou willen ontmoeten.
‘Typisch zo’n vraag op een pickwick theelabel,’ zei R., opmaat om niets met deze vraag te doen. Ik dacht aan Jan Wolkers en Remco Campert en ik dacht aan Tove Ditlevsen. Op een foto in Vilhelms kamer zit ze in typische jarenzeventigkleding op de bank: voeten onder de billen, sigaret in de hand. Herkenbare pose. Mijn moeder ook toen.
Allemaal doden.
‘Jan Lisiecki,’ zei J. ‘De jonge pianist. Hij sloeg een keer bij een foto heel stevig zijn arm om me heen!’
Op mijn telefoon liet ik aan R. en H. zien wie dat was. ‘Niet op elke foto is hij knap,’ zei iemand kritisch. Ik dacht aan M. Lees verder op Tzum.
