Zaterdagmiddag 29 juli was ik te gast bij Frits Spits in De Taalstaat. Ik mocht vertellen over Hij/Hem.Een ABC van Regenboogboeken dat afgelopen week is verschenen. Met verhalen over de dagboeken van Hans Warren, het prachtige Voor een vriend die naliet mij het leven te redden van Hervé Guibert en over het zeer relevante boek van Jaap Harten, De Getatoeëerde Lorelei. Allemaal regenboogclassics. Een mooi gesprek over coming-out, aids in de jaren tachtig, astrologie, Meloni en Heartstopper in Hongarije.
Ik kreeg na afloop al veel reacties. “De belangrijkste coming-out is de coming-out naar jezelf.” Het bleek een uitspraak die veel mensen heeft geraakt.
Met bijdragen van Oscar Behrens, Anton Brand, Ronny Boogaart, Gerard van Emmerik, Paul Hofman, Looi van Kessel, Klaas la Roi, Matthijs Looij, Nop Maas, Martijn Nicolaas, Th. van Os, Nick Tomberge en Jos Versteegen.
Ik had mij voorgenomen meer te gaan lezen nu ik vaker met de trein naar mijn werk reis. En dan niet op mijn telefoon – scrollend van het ene nieuwsitem naar het andere – maar gewoon in een boek. Daar zat ik dan, omringd door smartphones, met op de heenweg Zomeravond, samengesteld door Anna Drijver, en op de terugweg De Kim-dynastie. Geschiedenisvan Noord-Korea van Casper van der Veen. Het is nog een hele kunst om je aandacht bij het boek te houden. Tijdens mijn eerste treinreis zaten naast mij drie meisjes die babbelend en lachend de papiertjes van hun Fruitella-snoepjes gedachteloos op de grond wierpen in plaats van in de afvalbak, en ik zei er niets van. Op de terugweg zat een jongen met zijn legerkistjes op de bank, harde muziek schetterde uit zijn oordopjes, en ik zei er niets van. Voortaan zou ik uitsluitend in de stiltecoupé reizen, toevluchtsoord voor meer lezende reizigers.
Avondspits. Volle coupé. Een bellende man. Zijn harde stem geeft instructies. Naast mij zucht een vrouw passief-agressief boven haar Murakami. Verder zwijgt iedereen. Niemand kijkt op wanneer ik naar voren buig en hem op fluistertoon wijs op de sticker op het raam, stilte/silence. Zonder zijn gesprek te onderbreken, staat hij in één beweging op, stapt naar het balkon, het halletje waar reizigers in- en uitstappen, en blijft gedurende de rit tussen Hilversum en Duivendrecht door het raam de coupé inkijken met iets wilds in zijn ogen. Toen ik thuis over dit voorval vertelde, adviseerde R. me om me voortaan op mijn boek te blijven concentreren.
We hebben afgesproken in Café Wildschut aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’
Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?
Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.
Hoe ben je met Arkadia begonnen?
‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan. Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’
Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.
‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’
‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.
‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’
Het is een liefdevol gesprek.
‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning van mijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’
‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’
Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?
‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’
‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia, intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’
Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.
‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’
We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’
De band loop eeuwig door.
‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’
Zou je dat willen, eeuwig leven?
‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’
Ik ging naar Münster om de ijzeren kooien te zien. In mijn reistas de heruitgave van De beloofde stad van Luc Panhuysen. Een geweldig maar gewelddadig boek. Hoofden worden afgeslagen, geslachtsdelen afgekapt, lichamen ondersteboven aan galgen gehangen. Het bloed vloeide rijkelijk toentertijd – om het maar clichématig te zeggen. De beloofde stad is Münster. In het zestiende-eeuwse Europa ging je niet als toerist op reis om ergens Duitse Kuchen te proeven, waarop wij ons gedurende de treinreis vanuit Amsterdam verheugden. Je keek wel uit. Je ging op pad om je lot te verbeteren, om een droom na te jagen, een roeping. Hier: getuige zijn van de wederkomst van Christus. Münster was een decennium lang het Nieuwe Jeruzalem voor gelovigen op drift, bij Jan van Leiden, koning van de wederdopers. Lees verder op Literair Nederland.
Op vrijdagmiddag 28 juli, aan de vooravond van de Amsterdamse Pride, vindt de presentatie plaats van Hij/hem. Een ABC van regenboogboeken (Uitgeverij kleine Uil) Waar: de Oranjekerk, Tweede van der Helststraat 1-3 in Amsterdam. Inloop is vanaf 13.30, start van het programma: 14:00.
Tijdens de presentatie zal het eerste exemplaar feestelijk worden aangeboden, zijn er interviews met de drie eindredacteuren en geven enkele auteurs spetterende, ultrakorte presentaties over het boek dat zij in Hij/hem hebben besproken.
Aan dit ABC werkten mee: Anton Brand, Ronny Boogaart, Gerard van Emmerik, Klaas la Roi, Looi van Kessel, Matthijs Looij, Th. van Os, Nop Maas, Jos Verstegen, Martijn Nicolaas, Oscar Behrens, Paul Hofman en Nick Tomberge.
Redactie: Coen Peppelenbos, Eric de Rooij en Doeke Sijens
Wil je er graag bij zijn? Stuur mij even een berichtje, dan komt het voor elkaar. Graag tot dan.
Wil je het boek al bestellen? Dat kan bijvoorbeeld hier. Of hier. Of bij je lokale boekhandel!
Ik zit in de trein naar Utrecht, boek op schoot. Van lezen komt niet veel, de man tegenover me heeft me tot een gesprek verleid. Eerst de afleidingsmanoeuvre met zijn hoofd schuin om de titel te kunnen lezen, en de vraag naar wat ik lees. Het zegt hem niets, hoewel het, oppert hij wat vlak, interessant klinkt, een boek over een vader en een moeder en een komma ertussen. Hij is meer van Lars Kepler en of ik wist dat er een echtpaar achter dit pseudoniem schuilgaat.
‘Schit-te-rende frillers zijn het.’
Ik glimlach en zeg dat ik ook altijd zo worstel met de uitspraak van thriller en daarom het liever heb over detective, wetend dat er echt wel een onderscheid tussen beide genres is te maken.
‘Detectieffe’ corrigeert hij mij.
‘Zie je,’ lach ik meegaand. ‘En daarom lees ik liever romans en dagboeken.’
Ik kijk naar buiten: Maarssen komt in zicht, het duurt nog wel even voor we het Centraal Station van Utrecht hebben bereikt. Hij is op weg naar zijn oude moeder. Of ze augustus haalt, is de vraag. Dat zou wel het beste zijn. Het niet halen. Voor iedereen. Wat heb je aan je leven als je zo gekluisterd bent aan een rolstoel? Zelf voelde hij zich ook gebonden. ‘Sinds 2021 ben ik nooit meer een weekendje weg geweest.’ Lees verder op Literair Nederland.
Afgelopen maandag werd de bundel Mateloos Verlangen gepresenteerd in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. In de bundel meer dan honderd gedichten over diversiteit. Met o.a. Abdelkader Benali, Jannah Loontjens, Co Woudsma, Ted van Lieshout, Falun Ellie Koos, Eva Gerlach en Ibrahim Selman. Bij de presentatie kon ik niet zijn, maar in de bundel staat van mij wel een nieuw gedicht: Zegen de New_York_writer.
Mateloos verlangen is een initiatief van XSAGA The experience company. Het boek verscheen bij uitgeverij Podium.
Opeens stond de honderdjarige Hans Keilson in de belangstelling. The New York Times prees zijn romans Komedie in mineur en In de ban van de tegenstander, boeken van een halve eeuw oud. Meesterwerken, volgens die krant, en de Nederlandse pers pikte de lofprijzingen voor Keilson op. Zo verscheen hij als gast in De Wereld Draait Door, en mocht hij voor het eerst in zijn leven naar het Boekenbal. Eindelijk gerechtigheid? Het antwoord dat Keilson op die vraag gaf was helder. Het woord gerechtigheid was niet op hemzelf van toepassing. ‘Bij zo’n term dacht hij in de eerste plaats aan zijn vermoorde ouders.’
Het lange leven
Hans Keilson. Telkens een nieuw leven is een kloeke biografie, maar niet al te kloek zoals sommige andere biografieën. Biograaf Jos Versteegen (1956) heeft het turbulente en lange leven van Keilson binnen vierhonderd pagina’s weten te houden (exclusief noten en bibliografie), netjes opgedeeld in vier even grote delen, waardoor de vaart erin blijft. Versteegen is vooral bekend als dichter, vertaalde al eerder sonnetten van Keilson in het Nederlands en kreeg van de weduwe, Marita Keilson-Lauritz, vrij toegang tot het persoonlijk archief van haar man.
We hadden afgesproken bij Ruby, het Chinees-Indonesisch restaurant bij ons in de buurt. ‘Ik liep al een poosje achter jullie, maar jullie waren niet bij te benen,’ zei hij. We kregen ons vaste tafeltje, achterin. ‘Dit is het bekende zwarte gat,’ zei hij. ‘Wat nu?’ Ja, wat nu? In de afgelopen zes jaar spraken R. en ik Jos Versteegen geregeld over zijn biografie in wording. De dagelijkse worstelingen, de losse eindjes, de plotse vondsten. Wat is een biografie schrijven toch een tour de force! En nu was het gedrukt en gepresenteerd in de grootste theaterzaal van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam: Hans Keilson. Telkens een nieuw leven.
Keilson schreef enkele opmerkelijke romans, had in Bussum een bloeiende praktijk als psychoanalyticus en werd op honderdjarige leeftijd wereldberoemd dankzij een recensie in The New York Times. Maar hij was ook jaloers, hield er vriendinnen op na, had woede- en angstaanvallen. En dan was er nog zijn levensloop waarin je met gemak de geschiedenis van de twintigste eeuw van nazisme, vervolging, onderduik en vernietiging terugvindt. Keilson en zijn zus overleefden, de ouders niet – een wond voor het leven. Lees verder op Literair Nederland.
‘In het begin is de belediging’. Het is de openingszin van Réflexions sur la question gay van Didier Eribon, en in Het vonnis van de samenleving verwijst hij er weer naar als hij het over homoseksualiteit heeft. Dat is één van de vonnissen die, ‘aan ons vooraf zijn gegaan en ons omhullen, ons vergezellen, over ons oordelen, ons zonder nadere uitleg veroordelen. Het is het vonnis van de samenleving’. Slachtofferschap past mij niet zo, klagen evenmin, maar beledigd worden met een verwijzing naar homoseksualiteit of ‘vrouwelijk’ gedrag, ken ik. Die belediging heeft vele gezichten, dat maakt het ook lastig om je vinger er op te leggen. Kijk, de vrouw die tegen mij zei: ‘God heeft Adam en Eva geschapen, niet Adam en Adam’, toonde zich openlijk vijandig, maar dat gebeurt zelden. Vaker wordt er gemanoeuvreerd in een grijs gebied. In de lijn van Eribon: op dit vlak is er geen onschuld, je voelt wanneer macht een rol in het gesprek speelt, wanneer de ander je kleiner probeert te maken, machtsongelijkheid creëert.
Enkele maanden geleden sprak ik een grijze man die mijn roman Augustus had gelezen. Eigenlijk verliep de belediging in drie stappen, ik vrees dat hij het zelf niet eens doorhad. Lees hier verder.